Vrij spel: goed voor de ontwikkeling van de kleuter

Louise Berkhout (1952) is op 4 juli 2012 gepromoveerd op het onderwerp ‘spel en geestelijke gezondheid’. Haar hoofdconclusie is dat vrij spel in een gevarieerde, aanvaardende omgeving goed is voor de psycho-sociale ontwikkeling van het kind in de groepen 1 en 2.

Zorgen
Haar onderzoek is ingegeven door twee zorgen: de kennis over het belang van spelen is aan het afnemen (en dus is er op veel scholen minder tijd voor) en daarmee zou de psycho-sociale gezondheid van de kleuter in het gedrang kunnen komen. Van spel geeft ze geen duidelijke definitie of omschrijving. Ze beroept zich op definities van anderen, zoals Huizinga, Piaget en Parten. Wel meent ze dat spel in eigenlijke zin een vrijwillig ondernomen activiteit is. Ze onderscheidt het dan ook naast begeleid spel en voorgeschreven spel. Daarin structureert een volwassene onderdelen van het spel voor respectievelijk draagt deze op dat en hoe er ‘gespeeld’ moet worden.

Sedert de Wet op het Kleuteronderwijs van 1955 was kleuteronderwijs gebaseerd op vrij spel. Sinds 1985, toen de basisschool een feit was, is dat vrije spel steeds meer onder druk komen te staan. De theorie van de continue leerlijn is daar volgens Berkhout goeddeels debet aan. Daar vloeit namelijk uit voort dat kinderen in de gehele basisschool, dus ook in de groepen 1 en 2, zich in lezen, spellen en rekenen een continu stijgende hoeveelheid kennis en vaardigheden zouden dienen eigen te maken. Die theorie impliceert dus de lezende en rekenende in plaats van spelende en verkennende kleuter.

Onder psycho-sociale gezondheid verstaat Berkhout het totaal van iemands emotionele en sociale vermogens om adekwaat om te gaan met verschillende omstandigheden, ook als het moeilijk wordt.

Spel en psycho-sociale gezondheid
Spel is er onder meer omdat kinderen er sterke gevoelens in kunnen uiten en er dagelijkse ervaringen in kunnen verwerken, terwijl ze er bovendien verschillende rollen in leren aan te nemen. Daardoor rijst de vraag of en, zo ja, hoe kleuterleerkrachten anno 2012 weet hebben van de betekenis van spel voor de ontwikkeling van de kleuter en of en, zo ja, hoe ze de kleuter in staat stellen vrij in plaats van begeleid en/of voorgeschreven te spelen.

Uit het voorafgaande vloeit Berkhouts eerste onderzoeksvraag voort: hoe kijken kleuterleerkrachten tegen spel aan? Ze benaderde 87 basisscholen in het hele land met de vraag of ze mee wilden doen aan haar onderzoek naar het verband tussen spel en psycho-sociale gezondheid. Uiteindelijk deden slechts 20 scholen mee. Twee soorten scholen bleken af te haken: scholen die spel zonder meer niet van belang vonden, en scholen met veel ouders die onvoldoende het Nederland beheersten om Berkhouts vragenlijsten in te vullen. Daarmee viel feitelijk de grond onder één van haar oorspronkelijke vraagstellingen weg: zou er verschil zijn in de ontwikkeling van kleuters op basisscholen met veel vrij spel en die op basisscholen met veel begeleid en/of voorgeschreven spel?

Toch heeft ze conclusies uit haar onderzoek kunnen trekken, bijvoorbeeld omdat er algemene tendensen bekend zijn. Zo vond ze dat vermeldingen door ouders en leerkrachten van angsten en depressieve klachten bij jongens overeenkomen met vergelijkbare onderzoekingen in Duitsland. Die vermeldingen zijn echter tamelijk nieuw ten opzichte van de gangbare gedachte dat de problematiek van schooljongens eerder uit agressief en aandachttrekkend gedrag bestaat dan uit angsten en neerslachtigheid.

Een andere vondst is dat geestelijk gezonde kleuters vaker meer indringende gebeurtenissen hadden meegemaakt zoals verhuizen, scheidende ouders en het overlijden van een dierbare, dan kinderen die geestelijk minder gezond zijn en aangemerkt dienen te worden als klinisch of subklinisch.

Dit zijn twee van de vele resultaten uit haar vijf andere onderzoeksvragen.

Kleuterleerkrachten en spel
Laten we teruggaan naar Berkhouts eerste vraag: hoe denken de leerkrachten van die 20 scholen over spel? In totaal werden 52 kleuterleerkrachten bevraagd. Na afloop beoordeelde Berkhout de gesprekken op twee dimensies.

De eerste dimensie betreft de vraag voor welke ontwikkeling spel goed is: de persoonlijkheidsontwikkeling, communicatievaardigheden, de sociale intelligentie of het leren door en in ervaring. Het bleek dat de leerkrachten het meest van vrij spel verwachten voor de persoonlijkheidsontwikkeling, dan voor het leren door en in ervaring, vervolgens de sociale intelligentie en ten slotte communicatieve vaardigheden.

De tweede dimensie gaat over de aard van spel. Berkhout onderscheidt er acht categorieën binnen. Ik noem alleen de drie die de leerkrachten het vaakst noemden: het doen-alsof-karakter van spel, de eigen realiteit van spel (een meisje is alleen prinses binnen het spel) en het ontbreken van opgelegde regels.

De leerkrachten bleken echter meer dimensies op het oog te hebben dan deze twee. Vooral bleken ze de bijdrage van spel aan de psycho-sociale ontwikkeling van kleuters op te vatten als een integraal proces. Dat wil zeggen, ze vonden ook dat ze een veilige en stimulerende omgeving moesten aanbieden om vrij spel te bevorderen en dat het gaat om de unieke ontwikkeling van elk kind afzonderlijk. Zonder dat hen de driedeling vrij/begeleid/voorgeschreven spel was voorgehouden, bleken ze bovendien spel eerst en vooral als vrij spel op te vatten.

Vrij spel: op school en thuis
Van 877 kleuters heeft Berkhout het vrije spel op school onderzocht met behulp van video-opnames. Het bleek dat er een goede variatie was in de spelen die de kinderen deden: zandbak, klimmen, bouwen, fantasie- en rolspelen en tekenen bijvoorbeeld wisselden elkaar goed af – de vrees van sommigen dat zonder spelbegeleiding en zonder spelvoorschriften kinderen alsmaar hetzelfde zouden doen, blijkt niet bewaarheid te worden.

Berkhout heeft ook het spelen thuis onderzocht. Wat voor spelen doen kleuters thuis en is er verschil met het spelen op school? En vooral: is er verband tussen de psycho-sociale gezondheid van kleuters en hun spel, zowel spel met ouders als met andere kinderen met inbegrip van broertjes en zusjes? Ze vond onder meer dat vaders en moeders met hun kinderen spelen zodat elk kind beide geslachtsrollen krijgt voorgeleefd, ook onder en in het spelen. Jongens waren meer motorisch (fietsen, stoeien) en bouwend (met blokken, kisten) bezig en meisjes meer met fantasiespel (met poppen, beestjes) en creativiteit (tekenen, handwerken). De kwaliteit, de duur en de concentratie is volgens de ouders bij hun zonen en dochters echter van dezelfde orde: overwegend goed.
Aan dat laatste verbindt Berkhout een belangrijke conclusie. Immers, als fietsen, stoeien en dergelijke zo goed zijn voor de psycho-sociale ontwikkeling van jongens en als mannelijke leerkrachten als rolmodellen van belang zijn, dan is dat een argument te meer om te bevorderen dat weer meer mannelijke Pabo-studenten het jonge kind als afstudeerrichting kiezen.

Beschermende factoren
Nog enkele resultaten. Leerkrachten rapporteerden bij meisjes meer agressieve en aandachtstrekkende problematiek (traditioneel als specifiek voor jongens gezien) dan ouders en bij jongens meer angsten, teruggetrokkenheid en depressie (traditioneel als specifiek voor meisjes gezien) dan ouders. Doordat Berkhout de kinderen zowel aan het begin van groep 1 als met zes jaar heeft onderzocht, heeft ze kunnen vinden dat er kinderen zijn, die rond hun vierde in betrekkelijk hoge mate psycho-sociale problemen hebben, in hun zesde jaar relatief probleemvrij zijn. Psycho-sociale gezondheid is kennelijk niet iets statisch maar iets dynamisch. Dat moet er ons eens te meer voor hoeden om kinderen pathologische etiketten op te plakken!
Bovendien waren er bij kinderen die zich herstelden, kennelijk beschermende factoren aan het werk. Een school dient er dan ook naar te streven om voor alle kinderen een constante beschermende factor te zijn.

Vervolgonderzoek
Mijn algehele indruk is dat Berkhout een goede verkennende studie heeft afgeleverd – zelf geeft ze ook volop suggesties voor vervolgonderzoek. Zelf zou ik in vervolgonderzoek minder behoefte hebben aan opnieuw groepsgericht onderzoek dat nu de hoofdmoot vormt. Het resultaat over zichzelf herstellende kinderen en beschermende factoren bijvoorbeeld kon alleen aan het daglicht komen omdat Berkhout haar aandacht verplaatste van groeps- naar kindnivo. Ik denk dan ook eerder aan het volgen van een beperkt aantal kleuters, zeg 8 tot 20, om de 4 of 6 maanden – tussen hun vierde en zevende verjaardag.

Om concreet te worden sluit ik aan bij wat Berkhout op p.10 over de psychologische structuur van verschillende spelnivo’s schrijft. We weten dat peuters (gemiddeld tussen 3 en 4,5 jaar) op zichzelf spelen ook als ze zich in elkaars buurt ophouden. Daarna komen rolspelen van kleuters (gemiddeld 4,5-6,5 jaar) – daarin verwerken ze onder meer hun problemen. Tot slot is er het spelen van regelgeleide spelen van jonge schoolkinderen (gemiddeld 6,5-8,5 jaar). Vragen die in dit verband uiterst relevant zijn voor Berkhouts onderwerp ‘spel en psycho-sociale gezondheid’, zijn bijvoorbeeld: In hoeverre verwerken kinderen in die rolspelfase indringende gebeurtenissen? Hoe gaan kinderen daar in de solofase en in de spelregelfase mee om? Hoe gaat het verder met kinderen die in de rolspelfase niet of nauwelijks indringende gebeurtenissen uitspelen?
Dit op het individuele kind gerichte onderzoek kan het stellen zonder allerlei statistische verwerkingen – niet het interessantste en belangrijkste onderdeel van het proefschrift.

Berkhouts zorgen over de afnemende kennis over spel bij kleuterleerkrachten en over de geringere tijd dat kleuters op school vrij kunnen spelen, worden door velen herkend in het kleuteronderwijs en door ontwikkelingspsychologen. Ik hoop van harte en verwacht ook wel dat haar proefschrift een bijdrage zal geven aan het keren van het tij.

L. Berkhout, Play and psycho-social health of boys and girls aged four to six, Berkhout, 2012.
ISBN 978-90-367-5572-6.

Ewald Vervaet werkt bij Histos, een stichting die psychologisch onderzoek verricht en bevordert.

School

Winnen: Muizenval

In een eerder artikel schreef ik al dat wij gek zijn op spelletjes. Toen ik klein was had ik een paar echt favoriete spellen. Ik ...