Stichting Vluchteling

Help Fatu en andere moeders in oorlogsgebied een nieuw leven op te bouwen. Help Stichting Vluchteling!

Fatu, vluchtelinge – ‘Het was 6 uur ’s ochtends en we vluchtten de bush in. We liepen twee weken. Overal in de bush waren strijders. Dus: soms liepen we een eindje en dan moesten we weer rennen en ons verstoppen tot ze voorbij waren. Soms schoten regeringstroepen lukraak de bush in. De enige richting die veilig was, was de weg naar K. ’s Nachts sliepen we gewoon ergens op het zand. Vaak was er niet eens genoeg ruimte om te liggen, dus probeerden we zittend te slapen. Het enige voedsel dat we hadden waren zoete aardappels die in de bush groeiden. Alle dorpen die we onderweg zagen, waren platgebrand en door iedereen verlaten. We kwamen onderweg veel mensen tegen en iedereen had dezelfde verhalen als wij. Dat er granaten in huizen waren gegooid, met de mensen er nog in.

Dat van baby’s die bij hun moeders op de rug zaten, het hoofd was afgehakt.

We zagen een oudere man van wie een deel van zijn hand door de strijders was geamputeerd. Ze hadden tegen hem gezegd dat hij op pad moest gaan, om dit te laten zien. We bleven een jaar in K. Het leven was zwaar, maar wel vol te houden. Alles wat we hadden, was eigendom van de strijders. We werden gedwongen om voor ze te werken. De jonge mannen en jongens werden gebruikt voor de bevoorrading. We bleven in de stad tot de grote aanval op 25 december. Die aanval was heel erg. We hebben meer dan 200 doden in de stad zelf geteld. Je kon ze gewoon in hun huizen zien liggen. Niemand weet hoeveel mensen er zijn omgekomen. Er is een jongen in de stad van wie handen en oren zijn afhakt. Hij leeft nog steeds. We zijn de bush in gerend en daar bijna al die tijd gebleven. In het begin konden we geen bushcamp opslaan om dat het veel te onrustig was. Een aantal weken moesten we steeds weer wegvluchten, omdat we geschreeuw bleven horen. In onze groep kwam een man om, om dat hij in zijn rug werd geschoten, toen we bij de grens aankwamen. Onderweg werd een vrouw ernstig ziek en overleed. We hebben nog geprobeerd haar te dragen, maar ze was te ziek.’

Uit: Tutti Fratelli, Kluwer/KLPD, 2007. Auteurs: John Tamerus, Mirjam Corsel. Samenstelling/eindredactie: Maureen Motta. Conceptontwikkeling/vorm: Aart Geesink. ‘Tutti Fratelli’, in het Nederlands ‘ Wij zijn allen broeders’ zijn de legendarische woorden van Henri Dunant op het bloedige slagveld bij Solferino. Met het boek ‘Un souvenir de Solferino’, richtten in 1863 zestien Europese staten het Rode Kruis op.