Kinderen en depressie; hoe ga je daarmee om?

‘Mijn grote teen is er al over aan het denken,’ zei mijn middelste zoon als ik hem voor de tweede keer vroeg om de tafel te dekken. Hij was gewoon niet van de bank te branden. Als hij thuis kwam van school plofte hij neer en kwam niet meer overeind tot het eten op tafel stond. Hij sliep slecht, had zijn sportclub opgezegd en wilde alleen nog, zoals hij het zelf zei; “lammen”, en dat was op de bank hangen. Ik maakte me zo ongerust dat ik met de huisarts ging praten. Mijn zoon had vrienden, deed het op school best aardig en de conclusie was dat het de puberteit was en dat ik me teveel zorgen maakte. Het was een opluchting, het had een depressie kunnen zijn.

Normaal pubergedrag

Iedere puber voelt zich wel eens neerslachtig. De meeste jongeren spijbelen wel eens, experimenteren met drugs, ze eten vaak als een karrenpaard, slapen slecht en zijn door de groeispurt vaak moe. Ze voelen zich onzeker over hun lichaam, hebben een minderwaardig gevoel over zichzelf en willen dus niet uitgaan met hun vrienden. Je puber kan overdreven fel reageren, met de deuren slaan en uren verdwijnen uit de huiskamer. Hij of zij heeft eigen opvattingen over van alles en nog wat en praten er niet altijd met jou over.

Kenmerken van een depressie

  • Aanhoudende neerslachtigheid
  • Spijbelen, experimenteren met drug, geen zin hebben om leuke dingen te doen of er geen plezier in hebben.
  • Geen eetlust (of juist overdreven veel eten)
  • Moeilijk in slaap kunnen komen (of juist veel slapen)
  • Lusteloos of juist snel aangebrand
  • Vermoeidheid
  • Het gevoel hebben dat een minderwaardig mens te zijn
  • Moeite met concentreren
  • Gedachten aan zelfdoding

Puberteit of depressie?

Gedachten aan zelfdoding zal je kind niet zo snel uitspreken. Het is ook geen vraag die je tussen neus en lippen door stelt: “wil je niet meer leven”? De andere symptomen komen akelig overeen. Het is dus lastig om uit te maken of je kind normaal aan het puberen is of last heeft van een depressie en toch is het zaak om er alert op te zijn. Bijna 18 procent van de Nederlandse bevolking last van een depressie (of er wel eens last van gehad), dat is ongeveer één op de vijf mensen. De puberteit is een moeilijke levensfase en soms komen er problemen bij, zoals een scheiding of de dood van een ouder of grootouder. Hoe intens kunnen pubers last hebben van liefdesverdriet? Dat alleen al kan voor diepe neerslachtigheid zorgen? Heel normaal en zoals alle mensen, moeten ze het een keer meemaken.

Wanneer is er hulp nodig

Natuurlijk, als ouder maak je je soms teveel zorgen en hoe graag wil je jezelf gerust laten stellen door hulpverleners. Vaak is dat terecht, met mijn zoon die ongeveer een jaar op de bank hing, is het helemaal in orde gekomen. En toch, als je kind lang neerslachtig blijft, zijn vrienden kwijtraakt, niet meer wil sporten en er niet meer met hem of haar te praten valt, is er misschien een steuntje in de rug nodig. Blijven hangen in neerslachtigheid en daardoor een onverschillige houding aannemen om die zwaarmoedigheid niet te voelen is niet alleen voor je kind vreselijk, ook voor de andere gezinsleden. Jezelf eens afvragen of je kind hulp nodig heeft, is dus helemaal niet zo gek. Een keer naar de huisarts gaan om je ongerustheid weg te laten nemen, ook niet. Intussen is het dan ook zaak om in gesprek te blijven met je kind, hoe moeilijk dat ook is. Als ouder prik je er soms toch doorheen en hoor je wat er aan de hand is.

Jij kent je kind het beste

Soms word je onterecht gerustgesteld door een huisarts. De meeste ouders met een depressieve puber hebben een paar keer te horen gekregen dat ze zich te ongerust maakten. Ze hebben volgehouden, omdat ze wisten dat er meer aan de hand was. Ze zijn aan de bel blijven trekken, ook al werden ze zelf als ouder aangevallen en bekritiseerd. Achteraf terecht.
Hoe lastig is dat, omdat je jezelf zo graag gerust wilt laten stellen en je soms ook te ongerust bent. De meeste pubers rollen nu eenmaal door alle perikelen heen.
Jij kent je kind het beste, je weet wat voor karakter het heeft, je weet dus ook wanneer je door moet zetten. Voor hulpverleners is het een teken aan de wand als je voor de derde keer met hetzelfde probleem op hun stoep staat (en dan bedoel ik niet drie dagen achter elkaar, maar een aantal weken of maanden na elkaar). Niet overdrijven, toch volhouden als je het niet vertrouwt.