Hoe voorkom je dat je een “stiefloeder” wordt?

Het ouderschap is allesbehalve gemakkelijk. Hoe leuk kinderen ook moge zijn, bij tijd en wijle kan je ze achter het behang plakken. Iedere moeder zal dat beamen. Voor een stiefmoeder is het soms nóg moeilijker. Het kind van je partner zit misschien helemaal niet op je te wachten en kan het niet laten om je met een snerend “Je bent m’n moeder niet!” keihard op je hart te trappen. Ook voor jezelf is het stiefouderschap allesbehalve gemakkelijk. Oneerbiedig gezegd zijn kinderen soms net als scheten: die van jezelf kan je nu eenmaal nét een tikkeltje beter verdragen. Hoe voorkom je dat je een echt “stiefloeder” wordt?

1. Probeer niet om het kind te “pleasen”. Kinderen voelen haarfijn aan wanneer jouw positie wankel staat en jij hunkert naar hun goedkeuring. Je nieuwe stiefspruit in vrijwel álles zijn/haar zin geven om maar in de gunst te vallen, staat garant voor een misser van jewelste.

2. Hou de huisregels in ere. Als je nieuw in een gezin komt binnenstuiteren, zullen er ongetwijfeld (huis)regels zijn waar je het niet mee eens bent. Dat geeft niet, zolang je er -zeker in het begin- niet al te hard tegen ageert. Niet alleen jij moet wennen aan jouw nieuwe plaats in het gezin: je partner en stiefkind(eren) moeten dat net zo goed. Geef iedereen de ruimte om zijn/haar plaats te vinden in de nieuwe gezinssamentelling.

3. Besteed tijd en aandacht aan je stiefkind(eren). Met een baby is het gemakkelijk: je leert hem/haar al direct vanaf de start kennen. Met stiefkinderen ligt dat anders. Zij hebben zich al deels gevormd zónder jou. Door met woord en daad te laten zien dat je interesse hebt in je stiefkinderen als persoon, vergroot je de kans dat zij jou op een positieve manier toelaten in hun leven. Wees er op voorbereid dat je in het begin tegen de nodige onwil aanloopt: een kind zit over het algemeen niet te wachten op een “nieuweling” die hem/haar met geïnteresseerde vragen bestookt. Een nukkig schouderophalen, een onverschillig “weet ik niet” of een gegromd “gaat jou toch zeker niet aan” zijn, zeker in het begin, redelijk standaard antwoorden. Laat je hierdoor niet ontmoedigen.

4. Schrap het woord ‘stief’! Stiefmoeder, stiefkind… Woorden die op zichzelf al een vrij negatieve bijklank hebben. Bij ons thuis is het voorvoegsel “stief” nooit aan de orde geweest: wij spreken van “bonusmoeder” en “bonuskind”. Ook liefmoeder en plusmoeder zijn leukere benamingen dat het aloude ‘stief’.

5. Zet je negativiteit overboord. Horrorscenario: je kan de ex van je nieuwe partner niet uitstaan (“dat hij ooit voor zo’n heks gevallen is!”) en je stiefdochter lijkt als twee druppels water op haar. Het beste ingrediënt voor één brok ergernis. Hoe moeilijk het ook is: Geen Commentaar. Hoe afschuwelijk je de desbetreffende ex ook vindt, het is en blijft de moeder van je stiefkind. En die heb je als stiefmoeder nu eenmaal niet af te kraken. Spuien tegenover je vriendinnen of misschien zelfs je partner mag, maar doe dit nooit met de kinderen binnen gehoorsafstand.

6. Probeer iets exclusiefs op te bouwen tussen jou en je ‘stiefjes’. Vrijwel ieder kind vindt het fijn om exclusieve aandacht van een volwassene te krijgen. Stel dus eens aan je bonusdochter voor om een keertje te gaan winkelen, of bied aan om eens  te gaan kijken bij de voetbalclub van je bonuszoon. Als je voorstel afgewezen wordt, voel je dan niet persoonlijk aangevallen: het kind is er blijkbaar nog niet aan toe. Tijd doet wonderen, dus reageer laconiek en probeer het over een paar weken/maanden nog eens.

7. Wees voorbereid op verzet. “Je bent m’n moeder niet!” is een kreet die je als ‘stief’ waarschijnlijk nog heel vaak te horen zal krijgen: vooral als de wittebroodsweken voorbij zijn en je eens een keertje hebt moeten optreden tegenover je ‘nieuwe’ kinderen. En ja, die opmerking doet pijn, zeker wanneer je al een tijd meedraait in het gezin en je geregeld in je eentje de zorg hebt over je stiefkind(eren), bijvoorbeeld omdat je partner meer uren buitenshuis werkt dan jij. Onthou dat het voor de kinderen soms moeilijk is om te accepteren dat ook jij iets over hen te zeggen hebt: voor hen geldt net zo goed dat je van “eigen bloed” nu eenmaal gemakkelijker iets kan hebben.

8. Laat je stiefkind niet alleen toe in je leven, maar ook in je hart. Dat klinkt wat zweverig, maar een kind voelt het heus wel aan wanneer je hem/haar “op de koop toe neemt” omdat je nu eenmaal voor z’n vader gevallen bent. Probeer je stiefje te zien door de ogen van een liefhebbende ouder: Wat heeft hij/zij voor unieke eigenschappen? Wie is hij/zij als persoon? Als je dit moeilijk vindt: probeer te overeenkomsten te ontdekken tussen je stiefkind en zijn/haar vader. Dit is de man waar je van houdt, dus hoe zou je zijn kind(eren) kunnen afwijzen?

9. Val jezelf én je stiefkind(eren) niet te hard. Blijf realistisch; niet iedere aanvaring wordt veroorzaakt door het feit dat het niet je eigen spruit is. Ook als jijzelf dit kindje had gebaard, zouden er momenten zijn waarop jullie elkaar boos of verdrietig maken. Ook jouw bloedeigen kind zou zich bij tijd en wijle opstellen als een opstandige draak, net zo goed als dat jij niet 24/7 de beste moeder van de wereld zou zijn geweest. Jezelf blijven is de beste manier om met elkaar door één deur te leren gaan.

How to

De lange weg naar huis

Het boek  “De lange weg naar huis” van Rupert Isaacson is het vervolg op zijn eerdere boek “De Paardenjongen” waarin Rupert met zijn vrouw en zoon op reis gaan ...